Kanaalstenose van de nek

Wat is een cervicale kanaalstenose?

Door degeneratie of slijtage van de wervelkolom – die in de loop van de levensjaren bij iedereen in zekere mate optreedt – kan het kanaal waarin het ruggenmerg loopt ter hoogte van de nek vernauwen. Dit noemen we een "cervicale spinaalkanaalstenose".

De vernauwing ontstaat doordat de tussenwervelschijven uitpuilen of verkalken, de facetgewrichten en gewrichtsbanden verdikken en er botwoekeringen ontstaan aan de wervellichamen. Soms speelt ook een aangeboren nauw kanaal mee, waardoor de klachten op jongere leeftijd optreden. Bij sommige mensen verandert daarnaast de stand van de nek, wat de druk op het ruggenmerg nog vergroot.

Het grote verschil met de lage rug is dat er in de nek wél ruggenmerg loopt. Druk op het ruggenmerg (we spreken dan van een "cervicale myelopathie") is ernstiger dan druk op een zenuwwortel, omdat het ruggenmerg álle signalen naar de armen, de benen en de blaas doorgeeft – en omdat beschadigd ruggenmerg zich slechts beperkt herstelt.

Symptomen

De klachten ontstaan meestal geleidelijk, over maanden tot jaren, en worden daardoor vaak lang aan "ouder worden" toegeschreven. Typische symptomen zijn:

  • Tintelingen, een voos of "dik" gevoel in de handen, vaak aan beide zijden

  • Onhandigheid van de fijne motoriek: knopen dichtdoen, schrijven, kleine voorwerpen vastnemen, een sleutel in het slot krijgen

  • Onzeker of stijf stappen, het gevoel "op watten" te lopen, moeite met trappen of in het donker, vaker struikelen

  • Zwakte in armen of benen

  • Pijn die vanuit de nek naar de schouder of arm uitstraalt (wanneer ook een zenuwwortel gekneld zit)

  • In een later stadium: moeilijker de plas ophouden of juist moeilijk kunnen plassen

Opvallend: nekpijn hoeft niet aanwezig te zijn. Veel patiënten met een uitgesproken vernauwing hebben weinig of geen pijn, maar wel de bovenstaande functionele klachten.

Klachten die snel toenemen, plotse krachtsvermindering of blaasproblemen zijn een reden om snel contact op te nemen.

Diagnostiek

De arts zal u lichamelijk onderzoeken, waarbij de reflexen, de kracht, het gevoel en de gang nagekeken worden. Een MRI van de nek is het belangrijkste onderzoek: hiermee zien we de vernauwing én of het ruggenmerg zelf al tekenen van beschadiging vertoont. Vaak worden ook radiografieën (in vooroverbuiging en achteroverbuiging) en soms een CT-scan aangevraagd om de stand en de stabiliteit van de nek te beoordelen.

Een zenuwgeleidingsonderzoek (EMG en/of MEP/SEP) wordt vaak bijkomend afgesproken. Dit meet hoe goed de signalen door het ruggenmerg en de zenuwen lopen en helpt om andere oorzaken van uw klachten uit te sluiten, zoals een carpaletunnelsyndroom, een polyneuropathie (aantasting van de zenuwen zelf, bv. bij diabetes) of een neurologische ziekte. Hiervoor wordt overleg gepleegd met de collega's van de neurologie en fysische geneeskunde.

Moet ik geopereerd worden?

Niet elke vernauwing moet geopereerd worden. Bij een vernauwing op beeldvorming zonder tekenen van druk op het ruggenmerg kan een afwachtende houding met opvolging verantwoord zijn.

Zodra er echter tekenen zijn dat het ruggenmerg lijdt (myelopathie), raden we in de meeste gevallen een operatie aan – ook als de klachten nog mild lijken. De reden is dat de meeste patiënten zonder operatie geleidelijk achteruitgaan, soms in "trappen" na een kleine val of een bruuske beweging, en dat verloren functie nadien vaak niet meer terugkomt. Kinesitherapie, medicatie of infiltraties kunnen pijnklachten verlichten, maar nemen de druk op het ruggenmerg niet weg.

Behandeling

Het principe van elke operatie is hetzelfde: het ruggenmerg en de zenuwwortels opnieuw ruimte geven. Hoe we dat doen, hangt af van waar de druk precies zit (vooraan of achteraan het ruggenmerg), over hoeveel niveaus, van de stand en de stabiliteit van uw nek en van uw algemene toestand. Wij bieden alle onderstaande technieken aan en kiezen samen met u de meest geschikte.

1. Decompressie via de voorkant (ACDF of corporectomie) Via een kleine snede in de hals wordt de tussenwervelschijf (ACDF) of een deel van het wervellichaam (corporectomie) verwijderd, zodat de druk vooraan het ruggenmerg wegvalt. De ontstane ruimte wordt opgevuld met een kooitje ("cage") of botgreffe, waarna de wervels aan elkaar vastgroeien (fusie). Dit is de voorkeurstechniek wanneer de druk vooral vooraan zit en beperkt is tot één of twee niveaus, of wanneer de nek naar voren gekanteld staat.

2. Decompressie via de achterkant Wanneer de vernauwing zich over meerdere niveaus uitstrekt of vooral achteraan zit, wordt de druk via de achterzijde van de nek weggenomen. Hierbij worden onder de microscoop enkel de structuren verwijderd die druk geven (verdikte gewrichtsbanden, botwoekeringen), met behoud van wat de nek nodig heeft voor haar stabiliteit.

3. Decompressie met fixatie Wanneer de nek instabiel is, uitgesproken slijtage van de facetgewrichten vertoont of een slechte stand heeft, wordt de decompressie gecombineerd met het plaatsen van wervelschroeven en staafjes. Zo voorkomen we dat de nek na de operatie verder "inzakt". Vooral na ongevallen en bij zeer uitgesproken arthrose zien we deze nood vaker.

4. Laminoplastie met behoud van de middellijn Bij een laminoplastie verwijderen we de achterzijde van de wervelbogen niet, maar maken we ze "open" als een deur of scharnier, waardoor het kanaal breder wordt en het ruggenmerg naar achteren kan wijken. In onze aanpak laten we bovendien de middellijn – het doornuitsteeksel met de aanhechtende spieren en de gewrichtsbanden ertussen – intact (zie fig. 1 onderaan).

Wij geloven dat het behoud van deze structuren bijdraagt tot minder nekpijn na de operatie, een beter behoud van de beweeglijkheid en de stand van de nek en een vlotter herstel dan bij een volledige laminectomie, waarbij de achterzijde volledig verwijderd wordt. Vaak zijn hierdoor ook geen schroeven nodig. Deze techniek wordt in Vlaanderen slechts in een beperkt aantal centra aangeboden; wij passen ze toe wanneer de stand en de stabiliteit van de nek dit toelaten.

Wat mag u van de operatie verwachten?

Dit is een belangrijk verschil met de operatie in de lage rug. Het eerste doel van een cervicale decompressie is verdere achteruitgang voorkomen en de huidige situatie stabiliseren. Bij een groot deel van de patiënten treedt ook verbetering op – van de tintelingen, de handfunctie of de gang – maar hoe uitgesproken die is, hangt af van hoe lang en hoe zwaar het ruggenmerg al onder druk stond. Verbetering kan daarom niet gegarandeerd worden, en klachten die al jaren bestaan verdwijnen zelden volledig.

Het ruggenmerg herstelt traag. Verbetering kan tot een jaar na de operatie doorgaan. Uitstralende armpijn verbetert doorgaans het snelst; gevoelsstoornissen en gangproblemen het traagst.

Risico's

Elke operatie brengt risico's mee, zoals infectie, nabloeding of wondproblemen. Specifiek voor deze ingreep zijn de belangrijkste:

  • Een tijdelijke zwakte van de schouder (zogenaamde "C5-parese") na een decompressie van achteren, die in de grote meerderheid van de gevallen binnen enkele maanden herstelt

  • Lekkage van hersenvocht door een scheurtje in de duraalzak, wat meestal tijdens de operatie hersteld wordt

  • Bij een operatie via de voorkant: tijdelijke heesheid of slikklachten

  • Bij fixatie of fusie: het niet vastgroeien of losraken van het materiaal, wat een tweede operatie kan vergen

  • Zeer zelden: een verslechtering van de ruggenmergfunctie

Deze risico's worden tijdens de raadpleging met u besproken en afgewogen tegen het risico van níet opereren.

Praktisch: voor en na de operatie

  • Opname: de ingreep gebeurt onder algemene verdoving. De opname duurt doorgaans enkele dagen, afhankelijk van de techniek en uw herstel.

  • Bewegen: u mag vanaf de eerste dag rechtstaan en wandelen. Vroeg bewegen bevordert het herstel.

  • Nekkraag: bij de meeste technieken is een kraag niet of slechts kortdurend nodig. Na een fixatie kan een zachte kraag voor enkele weken aangeraden worden.

  • Wonde: de wonde mag na enkele dagen kort gedoucht worden; niet in bad of zwembad tot ze volledig gesloten is.

  • Autorijden: pas wanneer u de nek opnieuw vlot kan draaien en geen sterke pijnstillers meer neemt, doorgaans na enkele weken.

  • Werk: zittend werk kan meestal na enkele weken hervat worden; zwaar fysiek werk pas na een aantal maanden en in overleg.

  • Kinesitherapie: wordt na de wondgenezing opgestart, gericht op houding, nekmobiliteit en – indien nodig – gang- en handtraining.

  • Controle: een eerste controle vindt plaats enkele weken na de ingreep, met beeldvorming indien nodig.

Neem contact op bij koorts, toenemende roodheid of vochtverlies uit de wonde, plots toenemende zwakte of gevoelsstoornissen, of plotse blaasproblemen.

Veelgestelde vragen

Ben ik te oud voor deze operatie? Leeftijd alleen is zelden een bezwaar; uw algemene conditie telt. Omdat een myelopathie zonder behandeling verder achteruitgaat, is de operatie ook op hogere leeftijd vaak de beste keuze.

Word ik na de operatie weer helemaal de oude? Het eerlijke antwoord: dat hangt af van hoeveel schade het ruggenmerg al opliep. De operatie stopt de achteruitgang; wat daarbovenop herstelt, verschilt van persoon tot persoon. Hoe vroeger de ingreep, hoe groter de kans op herstel.

Helpt de operatie tegen mijn nekpijn? Vooral tegen de uitstralende armpijn en de klachten van het ruggenmerg. Op slijtagegerelateerde nekpijn is het effect kleiner, al zien we bij het behoud van de middellijn doorgaans minder nekpijn dan na een volledige laminectomie.

Kan ik na de operatie mijn nek nog bewegen? Na een decompressie of een laminoplastie blijft de beweeglijkheid grotendeels behouden. Na een fusie of fixatie verliest u wat beweeglijkheid op de vastgezette niveaus; de andere niveaus nemen dit meestal grotendeels over.

Wat als ik niet geopereerd wil worden? Dat is uw keuze. Wij bespreken dan eerlijk wat u mag verwachten en volgen u nauwgezet op, zodat we tijdig kunnen ingrijpen als de klachten toenemen.

Wat als het ruggenmerg op de MRI al beschadigd lijkt? Ook dan is een operatie meestal zinvol: ze voorkomt verdere schade, ook al is een deel van de bestaande schade mogelijk blijvend.





Fig. 1: laminoplastie met behoud van de middellijn – het kanaal wordt vergroot terwijl doornuitsteeksel, spieren en gewrichtsbanden intact blijven.