Cervicale fusie
Cervicale fusie (ACDF/posterieure fusie)
Bij een cervicale fusie verwijderen we een versleten of uitpuilende tussenwervelschijf in de nek en zetten we de wervel erboven en eronder aan elkaar vast. De ingreep heet voluit anterieure cervicale discectomie en fusie, afgekort ACDF. Ze gebeurt langs de voorkant van de hals, via een snede van ongeveer vier centimeter in een huidplooi.
Wanneer we deze operatie voorstellen
Meestal om een beknelde zenuwwortel te bevrijden. Een uitpuilende schijf of een botrand drukt dan op een zenuw die naar de arm loopt, met uitstralende pijn in schouder, arm of hand, soms met tintelingen of krachtverlies. Bij de meeste mensen verdwijnen die klachten vanzelf binnen enkele maanden, met pijnstilling, kinesitherapie en soms een infiltratie. Opereren komt pas ter sprake als de pijn na zes tot twaalf weken niet verbetert, of eerder als de kracht in arm of hand achteruitgaat.
De tweede reden is druk op het ruggenmerg zelf, myelopathie. Dat geeft andere klachten: onhandige handen, moeite met knopen dichtdoen of schrijven, een onzekere gang, soms problemen met de blaas. Ruggenmerg dat lang in de knel zit, herstelt slecht. Bij myelopathie wachten we daarom minder lang af.
Nekpijn alleen, zonder uitstraling en zonder ruggenmergklachten, is zelden een reden om te fuseren. Het resultaat is in die situatie onvoorspelbaar en we raden het meestal af.
Hoe de ingreep verloopt
Onder algemene verdoving. Via de snede vooraan in de hals schuiven we de luchtpijp en de slokdarm naar de ene kant en de halsslagader naar de andere, tot we op de voorzijde van de wervelkolom komen. De tussenwervelschijf wordt onder de operatiemicroscoop volledig verwijderd, tot de zenuw en het ruggenmerg vrij liggen. In de lege ruimte plaatsen we een kooitje (een "cage") van kunststof of titanium, gevuld met botvervangend materiaal. Dat kooitje houdt de wervels op afstand en laat ze in de maanden erna aan elkaar groeien. Soms schroeven we er een klein plaatje over voor extra stevigheid.
Eén niveau duurt ongeveer een uur tot anderhalf uur. De meeste patiënten gaan de dag na de ingreep naar huis, soms de tweede dag. Een halskraag is doorgaans niet nodig.
Een alternatief is de schijfprothese. Daarbij plaatsen we in plaats van een kooitje een beweeglijk implantaat, zodat het niveau blijft bewegen. Dat kan bij jongere patiënten met een soepele nek en weinig slijtage; bij uitgesproken artrose of instabiliteit is fusie de betere keuze. Welke van de twee bij u past, bespreken we aan de hand van uw scans.
Wat u mag verwachten na de operatie
De armpijn is bij de meeste patiënten meteen na de ingreep sterk verminderd. Tintelingen en krachtverlies herstellen trager, over weken tot maanden, en bij langdurige beknelling niet altijd volledig.
Slikken gaat de eerste dagen wat moeilijker en de stem kan hees zijn: de slokdarm en de stembandzenuw liggen vlak bij het operatiegebied. Bij bijna iedereen verdwijnt dat binnen enkele weken. Wat nekpijn en pijn tussen de schouderbladen is normaal in de eerste weken.
Zittend werk kunt u meestal na twee tot vier weken hervatten, fysiek werk na zes tot twaalf weken. Autorijden mag zodra u de nek pijnloos kunt draaien en geen sterke pijnstillers meer neemt, doorgaans na twee weken. Het bot groeit in drie tot zes maanden vast; tot dan vermijdt u zware lasten en contactsporten. Een controleraadpleging met röntgenfoto volgt na [zes weken] en na [drie maanden].
Welke risico's er zijn
Tijdelijke slikklachten en heesheid komen het vaakst voor. Zeldzamer zijn een nabloeding in de hals die soms een tweede ingreep vraagt, een wondinfectie en een blijvende heesheid door letsel van de stembandzenuw. Een letsel van het ruggenmerg met verlamming is zeer zeldzaam, maar niet uitgesloten; we bespreken dat vooraf openlijk. Bij een klein deel van de patiënten groeien de wervels niet vast (pseudartrose). Dat geeft niet altijd klachten, maar kan een nieuwe ingreep nodig maken.
Op langere termijn slijten de niveaus boven en onder een fusie mogelijks wat sneller, omdat ze de beweging overnemen. De meesten patiënten hebben er nooit last van; een minderheid heeft na jaren een tweede ingreep nodig.
Vragen die patiënten vaak stellen
Word ik stijver in mijn nek?
Minder dan u verwacht. Eén vastgezet niveau neemt maar een klein deel van de totale nekbeweging weg en de andere niveaus vangen dat grotendeels op. Bij een fusie over twee of drie niveaus merkt u het wel, vooral bij achteromkijken.
Hoe groot is het litteken?
Ongeveer vier centimeter, in een natuurlijke huidplooi vooraan in de hals. Na een jaar is het bij de meeste mensen nauwelijks nog zichtbaar.
Moet het kooitje ooit weer verwijderd worden?
Nee. Het groeit in en blijft levenslang zitten. Het geeft geen problemen aan de metaaldetector op de luchthaven en u kunt er gewoon een MRI mee ondergaan.
Kan ik eerst nog een infiltratie proberen?
Ja, als er geen krachtverlies en geen myelopathie is. Een infiltratie rond de zenuwwortel neemt de pijn bij een deel van de patiënten weg, soms voldoende om een operatie te vermijden. Ze verandert niets aan de beknelling zelf.
Waarom langs de voorkant en niet langs de achterkant?
Omdat de schijf en de botranden die de zenuw beknellen vooraan liggen. Langs voor bereiken we ze rechtstreeks, zonder door de nekspieren te gaan, wat minder pijn na de ingreep geeft. Een ingreep langs achter heeft haar plaats bij bepaalde vernauwingen van het zenuwkanaal en bij meerdere niveaus.
Wat als ik niets doe?
Bij armpijn zonder krachtverlies: vaak niets ergs. De klachten kunnen verdwijnen, aanslepen of terugkomen. Bij myelopathie is afwachten riskanter, omdat uitval van het ruggenmerg zich vaak niet meer herstelt. Hetzelfde geldt voor ernstig krachtsverlies door uitgesproken druk op de zenuwen (radiculopathie).